Op een onbewoond eiland

Introductie

Het regent! En niet een beetje. Sinds we zo’n 10 uur geleden zijn opgestaan komt het hier letterlijk met bakken uit de hemel. Tropische buien. Zoals je ze verwacht op een tropisch eiland. Alleen hadden we sinds ons vertrek nog niet zulk slecht weer gehad..

We brengen de dag dus door in de bungalow en tussen de buien door verkennen we per fiets het eiland. Wat betekent dat we allerlei palmbomen van dichtbij bekijken en tot de conclusie komen dat ze weinig beschutting bieden in een tropische bui. En omdat we verder weinig te doen hebben is dit een mooi moment van reflectie en analyse.

Achtergrond en hypothese

De laatste tijd brengen we namelijk nogal veel tijd door op min of meer (on)bewoonde eilanden. En ik kan er niets aan doen, maar de hele tijd speelt dat liedje van Kinderen voor Kinderen (Op een Onbewoond Eiland; 1981) door mijn hoofd. De meeste lezers kennen dit waarschijnlijk wel, maar voor de jongere lezers een beetje context: Kinderen voor Kinderen was “a pretty big thing” in de jaren ’80.

Tijd om de tekst eens onder de loep te nemen en te toetsen aan de werkelijkheid. Ik stel hiertoe één hypothese op:

H1: een lied dat gezongen wordt door kinderen in de leeftijd 8-12 schetst een té romantisch en enigszins vertekend beeld van de werkelijkheid.

Data en methode

Voor degenen die de tekst niet paraat hebben zal ik hieronder achereenvolgens de songstekst plaatsen (cursief) en de bevindingen op basis van 12 cases (normal script). De cases zijn geselecteerd op basis van hun ligging (ten zuiden en oosten van Singapore en dus op de route) en aantrekkelijkheid (is er een mooi koraalrif in de buurt). Om de betrouwbaarheid en validiteit van de studie te verhogen is gebruik gemaakt van twee onderzoekers die hun bevindingen min of meer apart gecodeerd hebben alvorens deze samen te voegen.

Analyse

op een onbewoond eiland
loopt niemand voor je neus
ja je voelt je d’r blij want
lekker leven is de leus

Tot zover klopt het wel aardig!

geen, pietsie pech want je hoeft er niets
valt er niet van je fiets

Toch zou dat zomaar kunnen want we fietsen hier best wel veel. Sterker nog: de meeste fietsen die we hier te leen hebben zijn van een twijfelachtige herkomst en daarmee ook van dramatische kwaliteit. En toen de ketting er gisteren af liep, scheelde het toch weinig of ik had met fiets en al in de berm gelegen..

ligt op je luie haidewiets
drinkt met je billen bloot
melk uit een kokosnoot

Tsja.. we drinken hier wel heel veel kokosmelk, maar met je billen bloot is een wat grotere uitdaging aangezien we zelf niet de vaardigheden noch de middelem hebben om een kokosnoot te openen en dus altijd aangewezen zijn op de lokale verkoper, gids of bootman. Met je billen bloot in een waterval springen kan dan weer wel (maar dan zonder kokosnoot)!

je wordt vanzelluf groot

op een onbewoond eiland
zijn alle dagen fijn
op een onbewoond eiland
daar zou ik willen zijn

had vanmorgen al voor dag en dauw
een punaise in m’n voet

Nog geen punaises gezien, maar zit al wel onder de blauwe plekken van valpartijtjes op gladde rotsen..

marmelade op m’n linkermouw
ei te zacht, ik wor’ nie goed
en toen ik m’n fiets besteeg
je raadt het reeds
m’n beide banden lek en leeg

Ik weet niet wat erger is… een lekke band of een zadel dat gaandeweg steeds verder naar beneden zakt…

en de tram
die ik toen nam
bleef steken in een steeg

Onze microlet ging naar de bouwmarkt..

op een onbewoond eiland
loopt niemand voor je neus
ja je voelt je d’r blij want
lekker leven is de leus
geen, pietsie pech want je hoeft er niets

Sterker nog: behalve naar de zee kijken is er ook heel weinig te doen! Ons record “onbewoond-eiland-zitten” staat op 3 uur met dank aan koraal en e-readers! Ik ben zelden zo blij geweest bij het zien van een boot! 😉

valt er niet van je fiets
ligt op je luie haidewiets
drinkt met je billen bloot
melk uit een kokosnoot

je wordt vanzelluf groot

op een onbewoond eiland
zijn alle dagen fijn
op een onbewoond eiland
daar zou ik willen zijn

moest vanmiddag bij de dokter zijn
spuitje anti-griep gehaald
nou die vogel dee me reuze pijn
en natuurlijk brak de naald
en toen ik douchen zou
je raadt het reeds
stond ik te krijsen van de kou
nooit geluk
de geyser stuk
je weet al wat ik wou

Serieus: we hebben op de eerste 8 eilanden alleen maar koud gedoucht! En met mandi! En de onbewoonde eilanden waar we geweest zijn hadden echt geen lekker warme douche hoor..! Tsk..

op een onbewoond eiland
loopt niemand voor je neus
ja je voelt je d’r blij want
lekker leven is de leus
geen, pietsie pech want je hoeft er niets
valt er niet van je fiets
ligt op je luie haidewiets
drinkt met je billen bloot
melk uit een kokosnoot

je wordt vanzelluf groot

Ik wil helemaal niet groot worden!

op een onbewoond eiland
zijn alle dagen fijn
op een onbewoond eiland
daar zou ik willen zijn

Behalve als het de hele dag regent. Dus.

Conclusie

Een onbewoond eiland is prachtig, magisch, super speciaal. Maar je voelt je de hele tijd een kruising tussen Brooke Shield (The Blue Lagoon) en Tom Hanks (Cast Away). Als de bbq voorbij is, de kokosnoten leeg zijn en je je rozigheid eraf geslapen hebt onder een palmboom is het ook wel weer fijn om naar een bewoond eiland terug te gaan. Waar je geniet van “the island life” en alles lekker traag gaat, niemand haast heeft en het menu steeds kleiner wordt naarmate de aankomstdatum van de ferry nadert. Er schuilt dus wel zeker een kern van waarheid in de tekst van het liedje “Op een onbewoond eiland”, maar op basis van bovenstaande analyse kunnen we de hypothese bevestigen.

Ik stel ook vast dat er vervolgonderzoek nodig is. Zo zijn er maar een beperkt aantal eilanden meegenomen in de studie die geografisch gezien allen slechts in twee verschillende gebieden liggen (Zuidoost-Azië en Oceanië). Vervolgonderzoek zou zich dus kunnen richten op nieuwe locaties die geografisch gezien verder afliggen van de huidige sample.

Ik voel een reeks nieuwe vakantieplannen aankomen! 🙂

Waarom moeilijk doen als het ook makkelijk kan..?

Dit is het vliegveld van Maupiti. Maupiti is een klein eiland ten westen van Bora Bora en heeft 1200 inwoners. En een eigen vliegveld met een heuse, geasfalteerde start- en landingsbaan. En een terminal.

Op de foto zie je van links naar rechts:

  1. De bagage “carousel” (blauw)
  2. De incheckbalies (rood)
  3. De wacht/ontvangst/uitzwaai ruimte (groen)
  4. De gate (geel). Boarden begint zo’n 10 minuten voor vertrek.

Was Schiphol maar zo eenvoudig 😉

Jagers en verzamelaars

Ik ben een verzamelaar. Ik zou heel graag willen dat het anders was, maar het is nu eenmaal zo. Elke week sleep ik wel iets nieuws mijn huis in, meestal kleding, schoenen of prullaria. Desalniettemin ben ik ook bezeten van licht reizen. Op een zakenreis neem ik bij voorkeur enkel handbagage mee, en ook voor kortere backpackvakanties lukt het ons meestal wel om ons te beperken tot handbagage. Op deze reis was dat iets lastiger, maar de oplettende lezer weet inmiddels dat mijn rugzak nog geen 10kg woog toen we vertrokken. Met de nadruk op “woog” en “toen we vertrokken”, want bij de laatste weging had ik 15kg. Nu zitten inmiddels de bergschoenen, lange broek en vest in de rugzak en neem ik op korte vluchten ook geen handbagage mee. Maar toch. Die 5 extra kilo’s komen ergens vandaan..

De afgelopen weken heb ik namelijk ook al het nodige “verzameld”. Souvenirs uiteraard (de meeste voor anderen, want ik wil niet dat mijn huis zo’n toonzaal van relikwieën wordt), extra kleding (in Islamitisch Indonesië bleek 1 lichte, lange broek toch wat weinig, en na 4 weken met twee shortjes en twee topjes was ik ook wel toe aan een leuk jurkje) en dingen die ik aboluut niet nodig heb (ook thuis niet) maar toch te leuk om níet te kopen (denk aan stickers, schriftjes en nagellakjes) zijn al goed voor enkele kilo’s.

Daarnaast heb ik een kleine verzameling stenen aangelegd (don’t ask!) en heb ik een aantal items van Marc (de jager) overgenomen. Want als echte jager heeft Marc na de eerste 4 weken de balans opgemaakt en besloten dat hij teveel heeft meegenomen. En zoals een echte jager betaamt, doe je dan afstand van de dingen die je niet nodig hebt. Een gloednieuw muskietennet is ingeruild tegen twee maaltijden in een een guesthouse op Atauro Island en andere items zijn achtergelaten in de hotelkamer in Dili. Althans, dat denkt Marc. Want als echte verzamelaar kan ik het niet over mijn hart verkrijgen om iets achter te laten, want: a. Het leek een goed idee om dit mee te nemen dus wat als we het over een week toch nodig blijken te hebben?! En b. Ooit hebben we er geld voor betaald, zonde om het nu weg te gooien.

En zo verzamel ik dus niet alleen nieuwe items, maar raap ik ook op wat jager Marc niet mee wil nemen. Tsja… zo komt die rugzak dus wel vol.. en met nog een kleine 8 weken te gaan, vrees ik voor het ergste. Want jagers blijven jagers, en ik vrees dat verzamelaars altijd verzamelaars zullen blijven…

Twee ezels en een spreekwoordelijke steen…

Als je veel reist, kan het weleens voorkomen dat er iets misgaat. Zo hebben we allebei weleens een vlucht gemist omdat we te laat bij de gate waren (Vareska) of met het verkeerde paspoort op Schiphol stonden (Marc). Pech, zou je kunnen zeggen. In onze reishistorie gaat echter wel vaker iets mis. Zo stonden we een paar jaar geleden met 15 euro contant geld aan de immigratiebalie van de luchthaven in Kaapverdië om erachter te komen dat we bij aankomst een visum moesten kopen à 20 euro per persoon (contant te betalen) en moesten we geld lenen van een medepassagier om het land in te kunnen. Om over onze reis naar Sri Lanka nog maar te zwijgen.

In Dili zijn we wederom door het oog van de naald gekropen. Vol goede moed komen we ruim een uur voor vertrektijd aan op de luchthaven en melden we ons bij de incheckbalie voor onze vlucht met Air North van Dili naar Darwin. We geven onze paspoorten en bagage af en wachten op onze boardingpasses als de Air North medewerker vraagt “Do you have a visa for Australia?” Wat?!! We kijken elkaar aan en zeggen in koor (en zeer overtuigend): “We don’t need a visa”. Toch?!

Fout dus! Wat blijkt: als je met Air North vliegt, dien je in Australië door immigratie te gaan en je bagage op te halen alvorens je verder kunt vliegen. En daarvoor heb je dus een visum nodig. De medewerker begeleidt ons naar het kantoortje van Air North om het visum-probleem op te lossen. Wij maken ons nog altijd geen zorgen (de medewerker maakt een ontspannen indruk), maar eenmaal in het kantoor aangekomen blijkt dat onze beste (en enige) optie is om via een tussenbureau zo snel mogelijk een visum aan te vragen en hopen dat dit bureau de aanvraag verwerkt voordat onze vlucht vertrekt. En daar zitten we dan. In een race tegen de klok laten we ons geld aftroggelen door meer en minder malafiede bureautjes, bijgestaan door vier Air North medewerkers (eentje belt met Canberra om continue de status van onze aanvragen te checken, een tweede zit met een pen in de aanslag om bij groen licht direct de boardingpasses te kunnen uitschrijven, de derde doet hetzelfde maar dan met de bagagelabels, en de rol van nummer vier is onduidelijk maar ik vermoed mentale ondersteuning (van wie laat ik even in het midden)).

Om 10:49 is mijn visumaanvraag succesvol en Marc ontvangt zijn bevestiging om 10:57. We hebben groen licht en onder begeleiding van medewerker nummer 2 haasten we ons naar het vliegtuig, waar we om 11:13 aan boord gaan (schema vertrektijd is 11:15). Inmiddels $190 armer dankzij de “service fee” van de tussenbureautjes, dat wel (normale prijs $20 pp), maar dat mag de pret niet drukken. De vlucht van Dili naar Darwin is namelijk de eerste in een lange reisdag van vier opeenvolgende vluchten, en wat dat betreft dus een cruciaal onderdeel van de reis naar Papeete.

Geen idee hoe dit gelukt is, maar we zijn enorm opgelucht en dankbaar voor de flexibiliteit die in dit soort landen mogelijk is!

Zelfs de bagage gaat mee, en dankzij ons visum kunnen we de 12 uur durende overstap in Darwin benutten om de stad in te gaan en te voorzien in drie belangrijke levensbehoeften:

  • De was
  • Shoppen
  • Een pint

Daarna maken we een reis terug in de tijd: op 7 juni om 1:05 uur vertrekken we van Darwin naar Brisbane (3:05 uur vliegen), van Brisbane vliegen we door naar Auckland (3:10 uur) en van daaruit naar Papeete (Frans Polynesië; 4:50 uur). En zo komen we na 31 uur reizen op 6 juni om 23:00 aan op onze huidige bestemming.

We winnen dus een extra dag in het leven, die we direct kunnen wegstrepen tegen de twee dagen die we verloren zijn door alle stress rondom het visum. 😉

Het gaat zoals het gaat

Als ik één tip heb voor mensen die op eigen houtje Zuidoost-Azië willen verkennen, dan is het “go with the flow”. Niets gaat hier zoals je hoopt of verwacht dat het zal gaan en steeds als je denkt “dit kan niet waar zijn”, wordt het toch nog net een beetje gekker. Gewoon rustig alles over je heen laten komen is dus het devies.

Zo zijn we gisteren teruggekomen van Atauro Island. Omdat de ferry ($5) maar twee keer per week vaart, ben je op andere dagen aangewezen op de “luxe” dragon star boot ($13) die je in 1 uur naar de overkant brengt (de ferry doet er 4 uur over). Deze “luxe” boot blijkt een afgedankte Maleisische rivierboot te zijn, waarvan menigeen zich afvraagt of deze eigenlijk wel zeewaardig is. Bovendien wordt de boot hermetisch afgesloten, dus als je omslaat ben je vrijwel zeker kansloos. Maar geen nood, wij hebben inmiddels een heel andere set aan normen en waarden ontwikkeld en stappen vastberaden in. Ik houd de hele weg mijn ogen dicht terwijl ik verschillende rampscenario’s doorneem (lukt best voor 1 uur) en Marc kijkt dapper toe hoe golven van twee meter hoog onder de boot doorrollen. Eenmaal aangekomen in de haven van Dili verwacht je met deze “luxe” boot toch dat je minstens op de kade wordt afgezet. Helaas. In de baai gaat de boot voor anker, en worden we in kleine groepjes opgehaald door een zeer krakkemikkig houten bootje dat ons op het strand laat uitstappen. Typisch.

Vandaag werd onze flexibiliteit wederom op de proef gesteld. Op weg naar Maubara (want “impressive 17th century fort built by the Dutch, that is a must-see”) stappen we op het busstation in een microlet (minibus die plaats biedt aan 10-12 personen) die ons daarheen moet brengen. Het eerste uur rijden we rondjes op en om het busstation om extra passagiers te vinden. Op een gegeven moment valt het me op dat we nu wel erg ver terug naar Dili rijden. Wat blijkt? Onze meest recente passagier heeft nieuwe tegels nodig voor zijn huis. Dus zo komt het dat we enige ogenblikken later met de microlet en 7 passagiers bij de lokale bouwmarkt staan, waar iedereen meehelpt in het beslissingsproces. Even later rijden we met zijn allen naar het magazijn om de gekozen tegels op te halen en in te laden. En je raadt het al: op weg naar Maubara zetten we de beste man en zijn nieuwste aankopen ook netjes even thuis af. Met zijn allen.

Drie uur later arriveren we in Maubara (49km van Dili), waar we het fort bijna over het hoofd zien en we ook niet bijzonder onder de indruk zijn van de “impressive church”. Desondanks hebben we een zeer vermakelijke dag, want ook de terugreis zit weer vol onverwachte rondjes en bezoekjes.

Vandaag was onze laatste dag in Dili en dus ook in Oost-Timor. Dit land heeft best wel een beetje ons hart gestolen, ondanks dat we lang niet alles gezien hebben wat we hadden willen zien. Eén mysterie blijft echter onopgelost: op weg van de grens naar Dili zagen we in elk dorpje, hoe klein en armoedig ook, een pooltafel staan. Echt. Professionele pooltafels onder een afdakje. Niemand heeft ons tot nu toe kunnen uitleggen waarom die pooltafels daar staan en hoe die daar gekomen zijn. Een overijverige minister misschien? Een donatie van de World Pool Billiard Association in het kader van hun internationale hulpprogramma?? Wie het weet mag het zeggen!

Morgen verlaten we Zuidoost-Azië. Een beetje pijn doet het wel. Op weg naar een nieuw hoofstuk en een heleboel nieuwe ervaringen!

Als dan..

.. als je eerst drie en een half uur over de berg en door de jungle naar de andere kant van het eiland moet lopen om aan te komen op een verlaten strandje met drie hutjes.... als na de prachtige zonsondergang het licht ook echt uit is..

.. als je ’s nachts niet kan slapen omdat de branding zo luid is..

.. als je hutje op palen wel een slot op de deur heeft maar ook een groot vierkant gat dat als raam dient waardoor je zo naar binnen kunt stappen.... als je in je ooghoek iets ziet bewegen en er plots twee schelpjes met pootjes en oogjes op stokjes voorbij komen lopen, overduidelijk druk en ergens naar op weg..

.. als de zee zo helder is dat je vanaf het strand kunt bepalen wat de beste snorkelplek is..

.. als je op je luie harlekiets onder een palmboom ligt, boven je drie kokosnoten ziet hangen en de vraag “valt-ie wel of valt-ie niet” je grootste zorg is.... als het koraal dezelfde kleuren heeft als je flippers en je omgeven bent door duizenden vissen die gewoon lekker hun gang aan het gaan zijn..

.. als je telefoon geen bereik heeft. Niets. Noppes. Nada..

.. dan weet je dat je toch een stukje van het paradijs gevonden hebt!

@Atauro Island (west side), Timor-Leste

Op zoek naar het paradijs

Inmiddels hebben we Indonesie verruilt voor Dili, de hoofdstad van Oost-Timor. Van daaruit besluiten we op zoek te gaan naar wat in de reisgids en op diverse websites omschreven wordt als “het paradijs op aarde”. Diezelfde reisgids en websites vermelden er ook bij dat deze plek, Jaco Island, nogal lastig te bereiken is. De eigenaresse van ons hotel kan dit alleen maar bevestigen. Het gesprek met haar gaat ongeveer als volgt: “Have you guys decided where you wanna go next?” “Yeah, we want to try and make our way to Jaco Island.” “Huh, it is very hard to get there.” “Yeah, that why we are keen on going.” “Huh, you might as well try and climb Mt Ramelau.” “Well, that was option nr 2 on the list…”

Dus zo geschiedde. Ondanks dat het maar 192 km is naar Tutuala Beach (van waaruit je een vissersbootje kunt charteren), denken we dat we drie dagen nodig hebben om er te komen.

Op dag 1 nemen we dus geheel volgens plan de bus van Dili naar Baucau. Onze reisgids (Lonely Planet uit 2011; de meest recente versie die we hebben kunnen vinden) vermeldt een busstation niet ver van ons hotel. Omdat in de reisgids staat dat zo’n busstation vaak niet meer is dan een verlaten bushokje, kijken we niet raar op als we aankomen bij een leeg veldje met daarop… een bijna vergaan bushokje. We wachten. En wachten. En wachten. Tot we erachter komen dat het busstation verplaatst is. Poging 2.

Aangekomen op het Becora busstation, nemen we plaats in een van de bussen die naar Baucau gaan. Omdat een bus hier pas vertrekt als alle plaatsen verkocht zijn, kiezen we de bus waar de meeste mensen in zitten. Na ongeveer een uur beginnen we aan deel 1 van de beproeving. De busrit (in de reisgids optimistisch omschreven als een rit van 3 uur over goede wegen) blijkt een dramatische tocht over zeer slechte wegen te zijn. Vol met potholes en langs steile afgronden, waar je volgens onze chauffeur prima met 80 km/u langs kan razen. Op sommige plaatsen staan nog stukjes muur om de rand van de weg aan te duiden en op andere plaatsen staan stukjes vangrail. Maar geen zorgen: waar het muurtje of de vangrail onbreekt, hangen vlaggetjes. Kleine vlaggetjes, maar toch: ik voel me meteen een stuk veiliger.

Vijf uur later bereiken we Baucau, goed door elkaar geschud en grijs van het stof.. In Baucau nemen we onze intrek in het Blue Ribbon Guest House met uitzicht over de zee. De eigenaresse spreekt enkel Indonesisch, maar dat mag de pret niet drukken. We besluiten 2 nachten te blijven, zodat onze maag even tot rust kan komen alvorens we verder gaan met de beproeving.

Op dag 3 verlaten we dus vol goede moed ons guesthouse op weg naar Lospalos. Uit de interactie met de eigenaresse hebben we kunnen opmaken dat we naar het busstation moeten voor de bus naar Lospalos. We nemen een microlet (soort kleine bestelbus met bankjes waar ongeveer 10 mensen in kunnen) en komen aan op een (wederom) verlaten terrein.

Op een paar bussen naar Dili na, lijkt er weinig te gebeuren. Maar wachten is inmiddels onze specialiteit, dus geduldig nemen we plaats op een stoepje en laten we ons bekijken door nieuwsgierige locals. Na een tijdje komen er een paar jongens naar ons toe met de vraag waar we heen gaan. Als we zeggen dat we naar Lospalos willen, volgt er een hoop commotie en blijkt (je raadt het al) dat de bus naar Lospalos niet vanaf het busstation vertrekt. Nee, de bus naar Lospalos stopt bij een grote boom in de oude stad, op een steenworp afstand van het Blue Ribbon Guest House. Zo gezegd, zo gedaan en enkele ogenblikken later zitten we weer in de microlet, terug naar de old town.

We worden afgezet bij een grote boom, waar zowaar nog een aantal mensen zitten te wachten. Geduldig zetten we ons op een muurtje en wachten en wachten. Geen bus te bekennen. Een uur later… nog niks. Inmiddels hebben een paar wanhopige medepassagiers een microlet bereid gevonden om naar Lospalos te rijden. Voor $15 kunnen we ook mee. We bedanken vriendelijk (een buskaartje kost $4 pp), en de rest van de passagiers stapt ook weer uit. Blijkbaar was het de bedoeling dat wij de hele rit gingen subsidieren..

Nog eens een uur later stopt er wederom een microlet die wel naar Lospalos wil rijden. Nu is het belangrijk om te weten dat een microlet behoorlijk krap is (denk: kleine bestelbus, twee bankjes die in de lengte tegenover mekaar staan en een laag dakje, dus gebogen zitten). Met onze westerse lichamen is dat in de stad al een beproeving, maar 5 uur lang over slechte wegen?? Dat is ons toch echt te gortig.. We wachten nog een half uur (inmiddels zijn we al 4 uur “bezig”) en besluiten uiteindelijk dat het concept “paradijs” toe is aan een herziening, nemen (alweer!) een microlet naar het busstation en van daaruit de bus terug naar Dili.

En zo komen we dus, wederom grijs van het stof en onverrichter zake, terug van ons avontuur. Tutuala Beach en Jaco Island hebben we niet bereikt. In plaats daarvan zijn we op zoek gegaan naar het paradijs in Dili. Voor degenen die ook op zoek zijn, hieronder onze top 4:

1. Peace Coffee, R. Jacinto de Cândido, Dili

2. Kaffè U’ut Hali Hun, Páteo, Dili

3. Letefoho Specialty Coffee Roaster, Dili

4. Gloria Jean’s Coffees, R. 30 de Agosto, Dili

Kip, ik heb je

De uitdrukking “er is hier geen kip te bekennen” gaat in Indonesië niet echt op. In elk dorp waar je komt, struikel je over de kippen. Echt … overal. Na drie weken zorgvuldige observatie zijn er twee dingen in het bijzonder die ons opvallen aan deze kippen.

Ten eerste, al deze kippen lopen los en kunnen dus gaan en staan waar ze willen. Navraag leert ons dat de eigenaar zeer goed in staat is om zijn eigen kippen te herkennen en dat er dus nooit twijfel bestaat over welke kip nu van wie is. Dat heeft zo zijn voordelen. Als je bijvoorbeeld bij een goede vriend op bezoek bent en je hebt zin in kip, wijs je gewoon een kip aan die er lekker uitziet en vraagt de gastheer om deze te bereiden. Je hoeft dus niet bang te zijn dat je onbedoeld je eigen kip in de pan hakt.

Ten tweede, ondanks onze veelvuldige marktbezoekjes (met dank aan Paul), zien we nergens een kant-en-klare dode en geplukte kip te koop worden aangeboden. Dit mysterie loste zich op toen we getuige waren van een heuse Indonesische barbecue. Eén voor één arriveerden de gasten. De een met een pan rijst, de ander met brandhout en weer een ander met, jazeker, een kip. Een levende kip dus. Want als je geen koelkast hebt, is dat de beste manier om de kip vers te houden. Eenmaal aangekomen bij de barbecueplek verdeelde men zich in kleine groepjes waarvan er één het slachten, een ander het plukken, een derde het wassen, en weer een ander het braden van de kip voor zijn rekening nam. Een ware productielijn dus!

Het eindresultaat zag er heerlijk uit, maar ik vraag me toch af wat de kippen dachten toen ze hoorden dat ze zouden gaan picknicken…

Een beetje afzien hoort erbij

Als backpacker, en in het bijzonder als backpacker buiten de gebaande paden, kun je vaak niet al te kieskeurig zijn. Want hoe minder toeristen, hoe lager de standaard. En dat geldt in het bijzonder voor accomodatie. De afgelopen weken hebben we al meerdere malen in niet al te beste hostels geslapen en onze standaard voor wat acceptabel is, is gaandeweg steeds verder naar beneden bijgesteld.

Wat mij betreft kan “ranzigheid” zich op 3 manieren manifesteren:

1. Vochtigheid. Als je een kamer binnen loopt en het ruikt er muf, heb je waarschijnlijk te maken met vochtigheid. Een veelvoorkomend probleem in de tropen lijkt het, dat versterkt wordt door airconditioning. In de meest extreme gevallen zitten er grote vocht- en schimmelplekken op de muren, komt de pleister eraf, en liggen er overal kleine stukjes muur of plafond. De beste manier om hiermee om te gaan is proberen niet tegen de muur aan te liggen en hopen dat dat loszittende stukje kalk aan het plafond nog een nachtje langer blijft zitten.

2. Vies beddengoed. Een laken of deken om onder te liggen is sowieso een zeldzaamheid hier, maar over het algemeen ligt er altijd wel een min of meer schoon laken over het matras, met bijpassende kussensloop. Ik vermoed echter dat ófwel deze lakens niet na elke gast vervangen worden, ófwel dat er vlekken in zitten die er niet meer uitgaan. Hoe dan ook, het ziet er niet altijd even fris uit. Gelukkig hebben we allebei een lakenzak en kussensloop meegenomen, zodat we kunnen voorkomen dat we met onze blote huid op een vies bed hoeven te liggen. De beste manier om hiermee om te gaan is dan ook: ogen dicht, armen in de lakenzak houden en proberen niet teveel aan te raken.

3. Beestjes. Iedereen kent em wel: de kakkerlak. Niet echt mijn lievelingsdier. De collectie “beestjes in en rond de slaapkamer” wordt in Indonesië verder uitgebreid met bedbugs, muggen, gekko’s en ratten. Gekko’s vind ik wel schatting om te zien en die mogen best over me heen lopen ’s nachts. Van muggen word ik al minder blij, maar de absolute nachtmerrie die werkelijkheid wordt, is toch wel de passerende rat en het nachtelijk geritsel van een kakkerlak in de kamer. Helemaal als je je realiseert dat alle dieren in dit deel van de wereld net een maatje groter zijn dan thuis. Beste manier om hiermee om te gaan: een klamboe ophangen en altijd op slippers naar de badkamer. En proberen niet te luisteren naar de nachtelijke geluiden. Een kamer met airco helpt ook, en een ventilator jaagt op zijn minst de muggen weg.

Helaas is het zo dat bovenstaande categorieen elkaar niet uitsluiten en in de afgelopen weken hebben we verschillende combinaties van 1, 2 en 3 getrotseerd. Maar nu ben ik er klaar mee. Vannacht slapen we in een mooi hotel. Waar je met je mond open kunt slapen, je blote huid met een gerust hart tussen schone lakens te rusten kunt leggen en waar je op blote voeten naar de badkamer kunt.

Een beetje afzien hoort erbij. Maar het moet niet te lang duren.

FBI

Inmiddels zijn we wel tot de conclusie gekomen dat reizen in Indonesie erg veel tijd kost. Zeker als je met het openbaar vervoer reist. Omdat er op Flores heel veel te zien is, de wegen erg slecht zijn en we niet superveel tijd hebben, besluiten we voor een paar dagen op pad te gaan met een auto met chauffeur. Samen met Kornelis van onze homestay in Labuanbajo maken we een plan en vragen hem om een auto met gids/chauffeur voor ons te regelen. En zo ontmoeten we Paul.

Paul (eigenlijk Paulus; veel mensen op Flores hebben een katholieke naam) in drie woorden: trots, overenthousiast en een tikkeltje onzeker. Het programma wordt al gauw uitgebreid met extra activiteiten zodat we zoveel mogelijk van Flores zien. Stiekem verdenken we Paul van een verborgen agenda. Zo rijden we soms rondjes door een dorpje zodat hij naar veel mensen kan toeteren en hallo kan zeggen en zijn we al min of meer toevallig bij zijn oom op bezoek geweest. Gisteren voegde hij het element “bezoek aan een lokale markt” toe aan het programma. Nadat we een rondje langs de vis en de bananen hebben gelopen, betrappen we Paul met heeeel veel plastic tasjes bij de auto. De kofferbak wordt steeds voller naarmate we dichter bij zijn woonplaats Riung komen.

Sinds gisteren heeft Paul ook een homestay: in de achtertuin van zijn huis heeft hij vier kamers gebouwd en wij zijn letterlijk zijn eerste gasten! Mooie, ruime kamers die, terwijl wij genieten van de ontvangst-kokosnoot, verder worden ingericht met spullen die me wel erg bekend voorkomen als iets wat ik eerder in de kofferbak van de auto heb zien staan. Nadat we hem nog wat tipjes hebben gegeven van dingen die we missen (haakje voor je handdoek, een tafeltje om spullen op te leggen, etc) wordt een deel van zijn eigen huisraad verplaatst naar de homestay.

En terwijl Paul ons veilig over de slechtste wegen loodst, leren we over zijn geloof en tradities, vertelt hij over de bomen die we onderweg zien (buiten het toerismeseizoen is hij boer) en ontmoeten we zijn vrienden,

Dankzij Paul zien we écht het beste en het mooiste van Flores. We zien zíjn land door zijn ogen.

Of zoals Paul zegt:

FBI = Flores Beautiful Island.

Voor de oplettende lezer: op de foto rechts zit Ana – een leuke Franse meid die we onderweg ontmoet hebben en nu een paar dagen met ons meereist.