Het huis van mijn sub

Op San Cristobal logeren we bij Manuel in La Casa de Mi Sub. Manuel is gepensioneerd, een beetje een charmeur en fan van mij. We verdenken hem ervan zich schuil te houden achter de spiegelruiten van zijn woning in afwachting van mijn verschijning. Telkens wanneer we onze kamer verlaten en langs zijn woning lopen, verschijnt hij uit het niets. Om vervolgens met zijn armen wijd uitgestrekt “Bareska” te roepen. Een omhelzing blijft gelukkig uit, maar het helpt wellicht niet echt dat ik als reactie ook mijn armen strek en “Manuel” terug roep.

Nadat we elkaar gedag gezegd hebben, steekt Manuel elke ochtend in rap Spaans een verhaal af, waarvan we vermoeden dat het te maken heeft met het weer, onze plannen van de dag, en zijn aanbevelingen. Hij heeft ons al verzekerd dat San Cristobal heel veilig is, dat we voor de beste koffie naar Luckies moeten gaan en vooral moeten zeggen dat we bij hem logeren (wij twijfelen of we dezelfde ideeën hebben over wat “de beste koffie” inhoudt) en elke dag raadt hij ons allerlei tourtjes en stranden aan. Ook heeft hij ons om nog onduidelijke redenen een foto van hemzelf in betere tijden (en kapiteinsoutfit) laten zien. De uitleg erbij is echter ‘lost in translation’, maar we gokken dat hij vroeger kapitein was. (“Sub” blijkt bij navraag een referentie te zijn naar zijn rol als onderofficier in de Ecuadoriaanse marine).

Ik vind Manuel wel leuk. Maar na vier dagen dit toneelstukje opvoeren zou het ook wel leuk zijn om een keer ongemerkt de kamer te kunnen verlaten..

De was

Ik hou van de was. Stapeltjes schoon wasgoed, netjes opgevouwen en bij voorkeur op kleur gesorteerd. Daar word ik best wel blij van. Maar als je op reis bent, zijn er helaas vaak weinig gelegenheden om zelf de was te doen. In Indonesië heb ik een paar keer met de hand gewassen en in Darwin vonden we een wasserette (geweldige uitvinding!). We hebben zelfs twee keer de luxe gehad van een accomodatie met wasmachine, waar ik enthousiast (en veel!) gebruik van heb gemaakt. Maar de afgelopen weken is zelf wassen wat lastiger geworden. In Peru was het te koud om zelf te wassen en op de Galapagos is het zo vochtig dat ik zelfs een keer de was heb meegenomen op een boottripje om deze in de wind te kunnen drogen.

We zijn de laatste tijd daarom nogal vaak aangewezen op de diensten van de lokale ‘lavaderias’ en dus maken we ons eens per week op voor “de was” en vertrekken we ’s ochtends alle vier met onze was in plastic zakjes naar de lavanderia, alwaar ik in mijn beste spaans probeer uit te leggen wat ik wél en vooral ook níet wil. Een koude was (30 grados, of frio) en bij voorkeur ‘no secadora’, oftewel niet in de droger. Met wisselend succes. Sommige kleding komt net iets krapper terug en sommige kledingstukken zien we helemaal niet meer. Zo raak ik per wasbeurt gemiddeld 1 stuks ondergoed kwijt, en moet ik als aanvulling op onze wekelijkse wasdag inmiddels ook kleine handwasjes doen om het einde van de week te halen. Gelukkig komt ons bezoek aan New York steeds dichterbij en verheug ik me al op een shopsessie bij Victoria’s Secret (nood breekt wet of zoiets?).

Bovendien begin ik al een klein beetje te wennen aan het idee dat we over een week alweer thuis zijn. Het vooruitzicht van een grote voorraad schone kleren en mijn eigen wasmachine waar ik lekker alles zelluf kan doen!

To cruise or not to cruise

Afgelopen donderdag zijn we aangekomen op Isla Santa Cruz, één van de eilanden van de Galapagos. De eerste dag bezoeken we het Charles Darwin Research Station en op weg daar naartoe struikelen we al over de bruine pelikanen, zeeleeuwen en zeeleguanen.

Een uitstapje naar Tortuga Bay op de tweede dag leidt er zelfs toe dat we een aantal vuistregels instellen om te voorkomen dat we elke 2 minuten stilstaan, zoveel moois is er onderweg te zien. En op dag 3 bekruipt ons het gevoel dat we wellicht toch echt een cruise moeten doen om optimaal te kunnen genieten van alles wat de Galapagos te bieden heeft. En zo komt het dat we ons tot twee keer toe (bijna) laten verleiden tot het boeken van een meerdaagse cruise. Bijna. Maar toch niet helemaal.

Na wat verkennend onderzoek komen we bij reisbureautje nr 3 tot een goede aanbieding. Voor een klein vermogen kunnen we nog de volgende dag vertrekken met een boot die ons in 5 dagen langs drie verschillende eilanden brengt. We zijn verleid en klaar om de deal te sluiten. Tot de verkoper zegt: “we only accept payment in cash”. Pardon?! Zoveel cash hebben we ten eerste niet bij ons, en ten tweede staat onze bank niet toe dat we dat ineens opnemen. Geduldig proberen we uit te leggen dat cash niet zal lukken, tenzij we de komende week elke dag naar de bank gaan om een gedeelte op te nemen (wat gezien het concept “cruise” weer lastig te realiseren is). Na wat geduw en getrek mogen we ook met creditcard betalen. Bij zijn vriend die ook een reisbureautje heeft. Maar dan komt er wel 12% btw bij. Inmiddels hebben we sterk onze twijfels over de betrouwbaarheid van dit bureau en besluiten we de deal toch te laten schieten. Dan maar geen cruise.

De volgende ochtend evalueren we onze beslissing en besluiten we om dagtochtjes te gaan doen. Opgelucht dat de kogel door de kerk is, zitten we even later op ons gemak te ontbijten als touroperator nr 2 voorbij fietst. Als hij ons ziet, worden we begroet als oude vrienden en schuift hij aan bij het ontbijt, want hij heeft een geweldige aanbieding voor ons. De vijfdaagse cruise die we wilden, voor de laagste prijs die we tot nu toe gehoord hebben. Hij weet zelfs de naam van de boot te vertellen. Hij heeft een goed verhaal en wederom besluiten we om ervoor te gaan. Maar een half uurtje later slaat de twijfel toch weer toe. Ook aan het verhaal van deze man zitten losse eindjes en ons gevoel zegt dat we het niet moeten doen. We doen het wel, we doen het niet, we doen het wel, we doen het niet. We doen het niet.

En dus hebben we ons verblijf op Isla Santa Cruz verlengd en hebben we definitief besloten om gewoon veel dagtochtjes te doen. Goedkoper, minder financieel risico en zo zitten we ook minder op de boot. Iedereen blij. Een uur later zitten we in de taxi voor een uitstapje in het binnenland. Met een taxi chauffeur die (nog) niet bekend is met de drie gulden regels en vol gas langs de grazende reuzenschildpadden raast. Dat dan weer wel.

De drie gulden regels voor het bewonderen van dieren op de Galapagos eilanden

We stoppen enkel en alleen voor:

  1. Dieren die minstens 50cm lang zijn, bijvoorbeeld zeeleguanen, zeeleeuwen en reuzenschildpadden;
  2. Dieren die korter zijn dan 50cm maar zich op minder dan 1m afstand bevinden, bijvoorbeeld een lavalizard op het stenen randje van het pad waarop we lopen, of een slangetje in de nabijgelegen struik, en;
  3. Dieren die korter zijn dan 50cm en zich op meer dan 1m afstand bevinden maar die we nog niet eerder gezien hebben of die iets bijzonders doen, zoals een lavalizard die zich aan het opdrukken is (door de afstand van >1m is dit helaas aan mij voorbij gegaan).
  • De nieuwe regels zijn helder en werken prima. Alleen de taxichauffeur moet nog even wennen!
  • Vier seizoenen en nog meer alpaca’s

    Onze laatste dagen in Peru brengen we door in de Colca vallei. In gezelschap van gids David en 13 anderen en onder begeleiding van stemmige panfluitmuziek laten we ons gedurende drie dagen rondleiden door de Colca vallei en in de gelijknamige canyon. We zien lama’s, alpaca’s, vicuña’s (familie van de lama en alpaca), condors, vreemde rotsformaties, en bezoeken lokale dorpjes (die uitgestorven lijken omdat onze touroperator er een alternatief schema op nahoudt in vergelijking tot andere reisbureautjes).

    Maar we verbazen ons vooral over het weer. De afgelopen dagen is de weg naar de Colca vallei gesloten geweest wegens hevige sneeuwval. Op het hoogste punt (4910m) staan we dan ook ongeveer tot onze enkels in de sneeuw. Ook de eerste nacht is koud en vergezeld van warme kruikjes kruipen we rond 21 uur in bed. Op de tweede dag wordt het pas echt interessant, wanneer we ruim 1700m afdalen in de Colca canyon. Daar aangekomen bevinden we ons in een ware oase compleet met palmbomen en buitenzwembad. Niet veel later zitten we mét drankje en ín het zwembad en genieten we dankbaar van de warmte. Binnen 24 uur gaan we dus moeiteloos uit onze thermo, dikke trui en winterjas in korte broek en bikini. Het moet niet gekker worden.

    Alles heeft echter een prijs: op de derde dag moeten we onvermijdelijk de canyon weer uit en beginnen we om 5 uur ’s ochtends aan de klim omhoog. Drie uur later is de zon doorgebroken en bereiken Lotte en ik de top (Marc is dan al boven en Daan mag wegens spierpijn op een muilezel naar boven rijden). Onderweg terug naar Arequipa genieten we wederom van het veelzijdige landschap en concluderen we dat het repertoire stemmige panfluitmuziek beperkt is tot “el condor pasa”. Hoe toepasselijk.

    Terug in Arequipa strompelen we naar het hostel, naar een restaurant en terug naar het hostel. Alles doet pijn, maar we zijn een mooie ervaring rijker. Beter nog: ik heb alle winterkleding (inclusief drie (!) nieuwe truien) onderin de rugzak gestopt, vastbesloten dit deel pas in Nederland weer uit te pakken!

    Vandaag zijn we begonnen aan het eennalaatste onderdeel van onze reis. Met een binnenlandse vlucht gaan we eerst naar Lima; na alle busreizen een interessant alternatief: earphones zijn blijkbaar óf moeilijk verkrijgbaar in Peru óf gewoon optioneel en dus genieten we van de muziek van een van onze medepassagiers. Een beetje teleurgesteld, dat wel, want blijkbaar houdt deze man niet zo van stemmige panfluitmuziek…

    Lekker zelluf doen

    Als je eigenwijs bent en denkt dat je altijd alles beter weet, is “lekker alles zelluf doen” een uitkomst. Zo bepaal je exact waar je heen gaat, wat je gaat zien/doen en hoef je je niet te confirmeren aan een bestaand programma of de wensen van andere mensen. Ook in Peru proberen we dus zoveel mogelijk zelluf te regelen. Maar soms kom je daarbij tot de ontdekking dat dat misschien niet altijd de snelste of meest efficiente manier is (en dit is een lastige want ik heb zowel “alles zelluf doen” als “de beste/slimste/meest efficiente manier” hoog in het vaandel staan).

    Het voordeel van alles zelluf doen is dat je de unieke mogelijkheid hebt om je te verdiepen in de lokale bureaucratie en we bezoeken dus ook de nodige overheidsinstanties tijdens deze reis. Terwijl andere reizigers genieten van bezienswaardigheden, schuiven wij aan in de rij bij de douane, het postkantoor, het museum voor de schone kunsten, en de nationale bank.

    Voor het terugsturen van de snowboardtas brengen we letterlijk een hele dag door in het postkantoor, en het opsturen van een schilderij loopt vast in de bureaucratie van het Museo des Belles Artes. Afgelopen week hebben we ons repertoire uitgebreid tijdens het organiseren van ons bezoek aan Machu Picchu. Kaartjes voor Machu Picchu zijn namelijk in het hoogseizoen gemiddeld zo’n drie dagen van te voren uitverkocht, dus hebben we dit uitstapje vorige week vanuit Lima al geprobeerd te regelen.

    De eerste horde blijkt het reserveren van de kaartjes. De website van het toeristenbureau dat deze kaartjes verkoopt is alleen bereikbaar via een gewone pc, dus met onze iphone en ipad zijn we redelijk kansloos. Gelukkig is Guillermo (onze huisbaas in Lima) bereid om ons zijn laptop uit te lenen. Zo gezegd zo gedaan, we reserveren de kaartjes en dan volgt stap 2: de betaling. Dit kan op 4 manieren: bij het toeristenbureau in Cusco, bij een van de twee geselecteerde reisbureaus in Cusco, via de website met Visa, of bij de Banco Nacional. En dat graag binnen 4 uur.

    En dus sluiten we een klein half uurtje later aan in de (lange) rij bij de Nationale Bank van Peru in Lima. Eenmaal bij de balie aangekomen probeer ik in mijn beste Spaans uit te leggen wat we willen (want uiteraard spreekt men ook hier geen Engels) en met succes: nog geen 5 minuten later staan we weer buiten. Betalen kan alleen contant en uiteraard hebben we niet genoeg geld bij ons. Maar we werden in ieder geval niet raar aangekeken dat we gereserveerde kaartjes voor Machu Picchu wilden betalen en onze tweede poging is succesvol: een klein fortuin lichter en een bonnetje rijker verlaten we de Nationale Bank. De kaartjes voor Machu Picchu zijn binnen!

    Gisteren was de grote dag. Samen met 2500 andere bezoekers beklimmen we de trappen van deze oude Inca stad en beklimmen we de nabij gelegen berg voor nog beter uitzicht. Wat een fantastische ervaring! Moe maar voldaan nemen we aan het einde van de dag de trein terug naar Cusco. Vanmiddag gaan we misschien nog naar de zoutvlaktes. Als we een taxi of collectivo kunnen charteren. Want ook dit doen we “lekker zelluf”.

    I can’t get no sleep

    Hoewel ik best wel met een nachtje minder slaap toe kom, is een goede nachtrust op zijn tijd wel belangrijk om in balans te blijven. Helaas lijkt me dat de laatste paar dagen niet erg gegund.

    Op weg van Lima naar Cusco nemen we de bus, die ons in ruim 21 uur over kronkelige wegen naar onze bestemming brengt. Omdat deze rit een aaneenschakeling is van remmen, stilstaan, optrekken en bochtjes maken, verkeer ik zo’n 17 uur van de rit in een half slapende toestand met een weeïg gevoel in mijn maag. Maar geen nood houd ik mezelf voor: als we aankomen gaan we naar een fijn hostel met een lekker bed en daar maakt een goede nacht weer veel goed.

    Niets blijkt echter minder waar. Het vriest ’s nachts in Cusco en ons hostel heeft niet alleen geen verwarming, de toiletten zijn ook buiten. Goed ingepakt onder een paar kilo dikke dekens maken we ons klaar voor de nacht. We doen het licht uit… en de disco aan de overkant van de straat opent zijn deuren. Tot 7 uur de volgende ochtend “genieten” we op afstand mee van het Peruvaanse uitgaansleven op een gemiddelde zaterdagavond. Ik houd mezelf voor dat het op zondag vast rustiger is, maar de tweede nacht in Cusco vindt wederom plaats in de discotheek. Althans zo voelt het.

    Hoe heerlijk om de dag erna naar Aguas Calientes te trekken. Daar aangekomen blijkt dit een superrustig dorpje te zijn waar behalve souvenirs kopen, eten en massages weinig te beleven is. Bovendien is het er relatief warm en heeft onze kamer een eigen badkamer. Hier ga ik een heerlijk nachtje doorbrengen zodat ik morgen om 5:00 volledig uitgerust op weg naar Machu Picchu kan gaan!

    Helaas. In Aguas Calientes is een “feestweek” gaande. Elke avond worden de straten opgesierd door lokale bandjes die met trommels en fluiten in groepjes rondtrekken om muziek te maken en bezoekers uit hun slaap te houden. Het doodlopende straatje waarin ons hostel zich bevindt blijkt een fuik te zijn en het ene na het andere bandje houdt halt onder ons raam voor een klein optreden alvorens weer om te draaien en terug het dorpje in te trekken. Onder het motto “vroeg naar bed” lig ik dus al een klein uurtje in bed te wachten tot de muziek wegsterft en een nieuw bandje zijn opwacht maakt. Ondertussen zie ik het aantal uren mogelijke slaap langzaamaan steeds minder worden..

    Maar ik geef niet op! Morgen gaan we terug naar Cusco voor nog twee nachten in de disco (want het hostel wordt gerund door zulke aardige mensen en oh ja, al onze spullen staan er nog). Nog maar drie nachtjes afzien dus. Daarna ga ik vast lekker slapen!

    Op grote hoogte

    Sinds we in Zuid Amerika zijn aangekomen, verblijven we regelmatig op grote hoogte, dat wil zeggen: boven de 2500m. En niet iedereen kan daar even goed tegen. In El Colorado (2700m) viel het nog wel mee, maar in San Pedro de Atacama (Chili) wordt al snel pijnlijk duidelijk dat Marc niet zo heel goed tegen de hoogte kan.

    Tijdens ons eerste tripje door de vallei waarbij we van 2500m naar ongeveer 4200m gaan, wordt Marc steeds stiller en steeds witter. De bus moet zelfs een paar keer stoppen zodat hij zijn maag kan legen, wat tot een soort vreemd genoegen leidt bij de medepassagiers die dankbaar gebruik maken van de onverwachte extra foto-opportunies. Een tweede tripje naar de geisers op 4400m doe ik dus alleen.

    In Cusco (Peru) is het helaas niet veel beter. Cusco ligt op 3400m en sinds we zijn aangekomen wordt Marc geplaagd door hoofdpijn, duizeligheid en misselijkheid – de typische verschijnselen van hoogteziekte. Maar sinds zijn bezoek aan het coca museum gisteren heeft hij een remedie gevonden. Gewapend met een zakje coca-bladeren om op te kauwen en een bijbehorend poedertje om de effecten te versterken, trotseren we de bergen op weg naar de Machu Picchu. Kauwend op de coca-bladeren als een oude zeeman met pruimtabak, klaart hij zienderogen op. De effecten van de coca-bladeren lijkt schijnbaar op die van cafeïne, maar aangezien je er ook cocaïne van kunt maken, verbaast het me niet dat Marc een stuk vrolijker is geworden. Hoe dan ook, hoewel de stemming erop vooruit is gegaan, denk ik toch met enige weemoed terug aan de ongeplande doch unieke foto opportunities!

    Aaargh…!

    Tien weken lang hebben we genoten van de exclusiviteit van reizigers-buiten-het-seizoen te zijn. Maar de afgelopen dagen begint het langzaam tot ons door te dringen: we zijn ongemerkt het hoogseizoen binnen gegaan. En met het aanbreken van het hoogseizoen komen ook de hordes Nederlanders. Ogodogodogod.

    Wat is het toch als je op vakantie bent dat je liefst zo min mogelijk landgenoten tegen wilt komen? In de eerste negen weken van onze reis hebben we slechts drie andere Nederlanders ontmoet. Eentje op Atauro Island (Oost-Timor) die net vertrok toen wij aankwamen en twee op de luchthaven van Tahiti (ook op weg naar Paaseiland). Maar sinds vorige week lijkt het hek van de dam te zijn. In twee dagen tijd verdubbelde onze score en terwijl nr 6 (dame van 21 die alleen reisde) blij was om naast ons in de bus te zitten en weer even Nederlands te kunnen spreken, kon ik mijn teleurstelling dat ze uitgerekend naast óns moest zitten maar moeilijk verbergen.

    Hoe hadden we kunnen vermoeden dat dit slechts het topje van de ijsberg zou zijn? Op de busterminal van Cruz del Sur (onze ‘vaste’ busmaatschappij in Peru) zijn we helemaal in reizigers-modus als de terminal ineens overspoeld wordt door Nederlanders. Met vouchers en reisschema’s in plastic mapjes en klaar voor het onderdeel “met de bus naar de volgende overnachtingsplek”. Ik kan alleen maar hopen dat ze niet allemaal ook naar Cusco gaan en vrees voor de motivatie van de buschauffeur om zijn best te blijven doen tijdens de rit (reizen met de bus in Peru is berucht omdat er zoveel ongelukken gebeuren). Gelukkig valt het mee. De kudde gaat naar Paraguas/Ica/Nazca en onze wegen scheiden zich nog voordat ze goed en wel waren samen gegaan.

    Desalniettemin moeten we het onder ogen zien: het hoogseizoen is nu echt begonnen en dat betekent dat we afscheid moeten nemen van onze bijzondere status, maar het betekent vooral ook meer mensen, hogere prijzen en langer vooruit plannen.

    Het team is weer compleet!

    Yesss! Zojuist hebben we Lotte en Daan opgehaald op het vliegveld! En gelukkig waren we op tijd..

    We besloten namelijk de bus te nemen. En dat liep natuurlijk weer niet zoals we wilden. Lotte en Daan zouden om 18:00 aankomen op het vliegveld van Lima. Om de dag een beetje goed door te komen (we zijn natuurlijk al de hele nacht wakker om alle etappes van hun reis op de voet te kunnen volgen), besluiten we ons eerst tegoed te doen aan een lunch van 11 gangen bij Maido – nr 7 op de lijst van beste restaurants ter wereld. Super lekker en goed voor maar liefst 2,5 uur “vermaak”.

    Rond 16:30 nemen we de bus naar het vliegveld. Lekker midden in de spits zodat we met volle teugen kunnen genieten van de rijkunsten van onze buschauffeur. En die liegen er niet om. De totale rit duurt twee zenuwslopende uren, en niet in de laatste plaats vanwege de capriolen van onze chauffeur en de andere weggebruikers. Want het is dan wel spitsuur, bij onze chauffeur geen gebrek aan assertiviteit en dus wordt er veelvuldig van rijbaan gewisseld. Dat de passagiers daardoor midden op de weg in- en uit moeten stappen is blijkbaar bijzaak. Dat de auto die hij afsnijdt moet uitwijken naar een stoep vol wachtenden blijkbaar ook. Net als de rest van de passagiers proberen we te ontspannen en doen we alsof het de normaalste zaak van de wereld is. De passagier naast mij is zelfs zo ontspannen dat ze het grootste deel van de reis met haar hoofd op mijn schouder een tukkie doet. Het openbaar vervoer in Lima: ik kan het iedereen aanraden.

    Maar na twee spannende uren is het dan echt zover. We komen tenauwernood op tijd aan op het vliegveld van Lima en een klein half uurtje later komen Lotte en Daan de ontvangsthal ingelopen. Alles is goed gegaan, ze hebben ieder zeker vier films gekeken en minstens zoveel zakken snoep weggewerkt.

    En met hun komst is ons team weer compleet! De komende maand gaan we met zijn vieren door Peru reizen en de Galapagos eilanden bezoeken, waarna we met zijn allen terug naar huis gaan. Jippie!

    Te makkelijk

    De afstand tussen Santiago en Lima bedraagt ruim 3500km en er zijn vandaag de dag voldoende mogelijkheden om (gedeeltes van) deze afstand per vliegtuig te overbruggen. Sterker nog: de prijs van een vliegticket met een of andere Zuid-Amerikaans prijsvechter is vaak niet veel hoger dan die van een buskaartje. Maar ik vind vliegen een beetje “te makkelijk” en weet Marc ervan te overtuigen dat we echt beter met de bus kunnen gaan, zoals echte backpackers betaamt en zodat we onderweg ook nog iets van de omgeving zien. En zo komt het dat we vanuit Santiago in drie etappes van respectievelijk 24, 10, en 21 uur per bus naar Lima reizen (met een klein stukje trein van Arica (Chili) naar Tacna (Peru) tussendoor).

    Gelegen in luxe touringcars waar de stoelen wel 160 graden plat kunnen, kijken we urenlang uit over het weinig veranderende landschap. Zand, zand, nog meer zand en in de verte de besneeuwde toppen van de Andes trekken aan ons voorbij. In tegenstelling tot de bussen in Indonesië schuiven we rond etenstijd niet aan bij een heerlijk Indonesisch buffet, maar in ruil daarvoor rijdt de chauffeur niet harder dan 90 km/u (we worden continue op de hoogte gehouden van de snelheid) en worden er niet meer kaartjes verkocht dan er stoelen zijn. De echte uitdaging van het reizen over land blijkt echter niet zozeer te zitten in het doorbrengen van de tijd in de bus, als wel in het proberen te behouden van onze spulletjes.

    In de overvolle metro van Santiago gaat het al mis. Met volle bepakking proppen we ons tussen de rest van de passagiers en voordat we het goed en wel doorhebben worden we betast door vreemde handen. Als een andere passagier mij dan ook nog zijn telefoon laat zien met daarop getypt “the person behind you is putting his hand in your purse”, wordt duidelijk dat dit foute boel is. Het ritszakje van mijn broek waar mijn telefoon in zit, blijkt al open te zijn. Gelukkig zit mijn telefoon er nog in en met één hand bewaak ik de rits van het zakje, terwijl ik met mijn andere hand de kleine rugzak die ik op mijn buik heb, bescherm. Als we uit de metro stappen, staan echter alle ritsen van onze kleding open en is Marc zijn telefoon gestolen uit het borstvakje (met rits) van zijn vest. Uit een zijvakje van mijn rugzak blijkt ook de verrekijker te ontbreken. Shit. Een dure les en we verruilen de metro voor een taxi om het laatste stuk naar het busstation af te leggen.

    Wanneer we tijdens een bezoek aan de vismarkt in Arica weer bijna gerold worden, concluderen we dat het tijd wordt voor een andere aanpak. De eerste negen weken van onze reis hebben we ons nergens onveilig gevoeld. Niet in Indonesië, niet in Oost-Timor, en al helemaal niet in Frans Polynesië. Maar Zuid Amerika is blijkbaar toch echt een ander verhaal en we moeten onze relaxte houding aanpassen aan de veranderende omstandigheden. Dus proppen we weer alles in de grote rugzak zodat we minder tassen hebben om op te letten, nemen we de moneybelts eindelijk in gebruik, en letten we heel goed op elkaar op plekken waar veel mensen zijn, zoals markten en bus terminals.

    Vanaf nu bekijken we iedereen, inclusief onze medepassagiers in de bus, met wantrouwen. We bewaken onze rugzakken als haviken en nemen bij elke stop al onze spulletjes mee de bus uit. Want hoe weet je wie je wel en niet kunt vertrouwen? We zijn dan misschien een stukje naïviteit kwijt, maar daarmee ook een stukje onbevangenheid die reizen zo leuk maakt..

    De trein waarmee we de grens Chili-Peru oversteken.